Interculture basisgrammatica Frans - Review

© Interculture Taleninstituut Frans Amersfoort alle rechten voorbehouden | www.interculture.nl

Interculture 1. Het lidwoord

1. Bepaald lidwoord (de, het)
enkelvoud meervoud
mannelijk le, l’ * les
vrouwelijk la, l’ * les
* Zoals bij meerdere woorden ne, ce, que, je, me, te e.d. vervalt de slotletter als het volgende woord begint met
een klinker of toonloze H; er bestaat ook nog een andere H aan het begin van een woord waarvoor die slotletter
niet wegvalt: de zgn. aangeblazen H die men veelal aantreft aan het begin van woorden van Germaanse
oorsprong.
le hamac, le héraut, la Hollande, le Huguenot, la Haye
le parapluie, la mesure, l’amour, l’homme, les disques, les ondes
Opmerking:
De combinatie van het voorzetsel à + le wordt au
en à + les wordt aux;
die van het voorzetsel de + le wordt du en de + les wordt des
au garage, aux enfants, du garçon, des couleurs

2. Onbepaald lidwoord (een, ‘n)
enkelvoud meervoud
mannelijk un des*
vrouwelijk une des*
* het Nederlands gebruikt hier geen lidwoord (zie ook opmerking bij 3.)
un papier, une enveloppe, des groupes, des assurances

3. Delend lidwoord (in het Nederlands onbekend)
enkelvoud
mannelijk du (de l’)
vrouwelijk de la (de l’)
Vóór woorden, waar in het Nederlands geen lidwoord staat, zet men in het Frans vaak dit lidwoord
du pain, de la bière, de l’eau
Du, de la, de l’, en des veranderen in de (d’) na een ontkenning of een woord van hoeveelheid
pas de viande, une douzaine d’œufs

Interculture 2. Het zelfstandig naamwoord

Er zijn twee soorten zelfstandige naamwoorden: mannelijke en vrouwelijke.
Het meervoud vorm je meestal door een -s of een -x achter het enkelvoud te plakken.
Woorden die in het enkelvoud eindigen op -al, krijgen in het meervoud -aux.
le système, les systèmes
l’hôtel, les hôtels
une assiette, des assiettes
un journal, des journaux
un cadeau, des cadeaux

Interculture 3. Het bijvoeglijk naamwoord

A. Vorm: het past zich, door achtervoeging van -e’s en -s’s in vorm aan bij het zelfstandig naamwoord waar het
iets van zegt.
enkelvoud meervoud
mannelijk -- +s
vrouwelijk +e +es
un grand bazar, la petite fille, les grands oiseaux, des jolies fleurs
B. Plaats: gebruikt als bijvoeglijke bepaling, meestal vlak achter het zelfstandig naamwoord; in een aantal gevallen
(o.a. beau, bon, joli, petit, grand, jeune, mauvais) er vlak voor.
une femme intelligente, des voitures françaises, la mauvaise note

Interculture 4. Het bijwoord
Bijwoorden zijn onveranderlijk en worden vaak afgeleid van bijvoeglijke naamwoorden; ze worden meestal
gevormd door ment te zetten achter de mannelijke vorm enkelvoud van het bijvoeglijk naamwoord als dat eindigt
op een klinker en als dat eindigt op een medeklinker achter de vrouwelijke vorm enkelvoud.

aimable > aimablement
vrai > vraiment
lent > lentement
heureux > heureusement
enkele bijzondere vormen: bien, mal, vite, mieux

Interculture 5. Vragende voornaamwoorden

Wie ? Qui ?
Wat ? Qu’est-ce qui ? (is onderwerp)
Que (qu’)/qu’est-ce que ? (als lijdend voorwerp)
Quel(le)(s) ? (in combinatie met “est“ of “sont”)
Welk(e)? Quel(le)(s) ? (in combinatie met zelfstandig naamwoord)
lequel, laquelle, lesquels, lesquelles
(gevolgd door de + zelfstandig naamwoord of los gebruikt)
Waar…? …quoi ? (in combinatie met voorzetsel)
Qui avez-vous rencontré ?
A qui as-tu donné cette clé ?
Qu’est-ce qui s’est passé ?
Que faites-vous là ?
Qu’est-ce que le médecin a dit ?
Quelles sont vos coordonnées ?
Dans quelle région êtes-vous allé ?
Lesquels de ces fromages sont les plus chers ?
J’ai vu un beau film. Lequel ?
De quoi voulez-vous parler ?

Interculture 6. Betrekkelijke voornaamwoorden

De vorm wordt bepaald door de grammaticale functie binnen de bijzin. (die, dat, waar…).
- als onderwerp qui
- als lijdend voorwerp que (qu’)
- na voorzetsel … qui (voor personen)*
- … lequel, etc (voor zaken en personen)**
* in combinatie met de wordt het betrekkelijk voornaamwoord dont
** in combinatie met à wordt het auquel, enz.
vaak wordt où gebruikt om een plaats aan te duiden
La maison qui est au bout de la rue, est abandonnée
Le vélo que j’ai acheté, est tout neuf
L’homme sur qui/lequel je comptais, est mort subitement
La table à laquelle (où) nous étions assis, était près de la fenêtre
Voilà le restaurant dont je vous ai parlé souvent
C'était un type dont il s'est toujours méfié

Interculture 7. Aanwijzende voornaamwoorden
In combinatie met een zelfstandig naamwoord (die, dat, deze, dit).
enkelvoud meervoud
mannelijk ce (cet*) ces
vrouwelijk cette ces
* vóór klinker of toonloze h

Vaak wordt achter het zelfstandig naamwoord -ci of -là gezet ter verduidelijking.
cette rue, cet arbre-là, ces citrons-ci

Interculture 8. De persoonlijke voornaamwoorden

Gebruikt als onderwerp*: je (j’), tu, il/elle, on, nous, vous, ils/elles
Elle part, on est content
- Gebruikt als lijdend voorwerp**: me (m’), te (t’), le/la (l’), nous, vous, les
Je vous ai vu, nous les envoyons
- Gebruikt als meewerkend voorwerp**: me (m’), te (t’), lui, nous, vous, leur
Je lui offre un cadeau, maman leur a dit au revoir
- Wederkerend gebruikt**: me (m’), te (t’), se (s’), nous, vous, se (s’)
Tu te trompes, je me suis blessé
* Plaats: vóór de persoonsvorm en in vraagzinnen vaak vlak erachter,
daarmee verbonden door een verbindingsstreepje
Aujourd’hui, il vient à huit heures, êtes-vous content ?
**Plaats: vlak voor de persoonsvorm of voor de onbepaalde wijs
Le patron m’a reçu, on ne leur donne pas la main
Je ne peux pas vous dire son nom
- Beklemtoonde vormen: moi, toi, lui/elle, nous, vous, eux/elles

Gebruik:
1. Na een voorzetsel
2. Na c’est en ce sont
3. In uitroepen
1. Il est entré après eux
2. C’est lui qui a fait cela
3. Qui est là ? Moi !
Je hebt ook nog de onpersoonlijke voornaamwoorden zoals in het Nederlands: het (‘t), dat, er (er valt een fles, het
regent). In het Frans vinden we: ce (c’), cela (ça), il (het, dit, dat, er) als onderwerp en voorwerp.
C’est impossible, tu vois cela, il neige

Interculture 9. Bijwoordelijke voornaamwoorden ‘y’ en ‘en’

‘y’ en ‘en’ zijn te vergelijken met het woordje “er” (of “er” + voorzetsel: eraan, erin, erop, enz.) in het Nederlands. Ze
vervangen de combinatie voorzetsel + zelfstandig naamwoord of eigennaam.
Het woordje ‘y’
Hij woont in Amsterdam. > Hij woont er.
Ik denk aan het feest. > Ik denk eraan.
In het Frans is het eigenlijk ook zo:
Il habite à Paris. > Il y habite.
Je pense à la fête. > J’y pense.
De "regel" luidt zo: ‘y’ vervangt de combinatie voorzetsel + zaaknaam (dus geen persoon) zolang dat voorzetsel
maar geen de, du of des is.
Il s'installe dans un fauteuil. > Il s'y installe.
Je compte sur votre aide. > J'y compte.
Je veux aller en France. > Je veux y aller.
Het woordje ‘en’
Evenals ‘y’ betekent ‘en’ “er” (of een combinatie daarvan met een voorzetsel: ervan, erover, enz.).
Het vervangt:
1. De (du, des) + zaaknaam
J’ai des problèmes. > J’en ai.
Je mange de la viande. > J’en mange.
Vous parlez de vos affaires. > Vous en parlez.
2. Het zelfstandig naamwoord ná un/une of een telwoord
Il prend un cachet d’aspirine. > Il en prend un.
Ils ont acheté deux maisons. > Ils en ont acheté deux.

Interculture 10. Bezittelijke voornaamwoorden

Het zelfstandig naamwoord is bepalend voor de vorm van het bezittelijk voornaamwoord.
(mijn, hun, onze e.d.)
enkelvoud meervoud
M V M + V
mon ma mes
ton ta tes
son sa ses
notre nos
votre vos
leur leurs
Il a vu sa mère.
Hij heeft zijn moeder gezien.
Elle a rangé son livre et ses jouets.
Zij heeft haar boek en haar speelgoed opgeruimd.
Vous connaissez leur adresse?
Kent u hun adres?
Opmerking:
Als op ma, ta en sa een woord met een klinker of toonloze h volgt, veranderen ze in mon, ton en son.
Mon ancienne école, ton usine, son histoire.

Interculture 11. Het woordje tout

Bijvoeglijk gebruikt d.w.z. in combinatie met een zelfst. nw.
Tout(e) staat altijd vóór het lidwoord, aanwijzend of bezittelijk vnw.
1. Heel, hele vóór het zelfst. nw. → tout(e)
het hele dorp → tout le village
dat hele hotel → tout cet hôtel
zijn hele familie → toute sa famille
2. Al, alle vóór het zelfst. nw. → tout(e), tous, toutes
Al het brood is op. → On a mangé tout le pain.
Alle kandidaten zijn afgewezen. → On a refusé tous les candidats.
Ze zijn alle vier verdwenen. → Elles ont disparu toutes les quatre.
Hij heeft al zijn bezittingen verloren. → Il a perdu tous ses biens.
Al die auto’s zijn kapot. → Toutes ces voitures sont en panne.

Interculture 12. De vragende zin

Zinsbouw: volgorde in een bevestigende zin is:
Onderwerp + hele gezegde + lijdend voorwerp + à + meewerkend voorwerp.
Bepalingen staan vaak vooraan of achteraan in de zin.
Demain il veut demander ce renseignement à son collègue au bureau
Hoe is de zinsbouw in de vragende zin:
A. Vaak is het voldoende om de zin op vragende toon uit te spreken:
Vous n’êtes pas malade, au moins ?
B. Handig is om ‘Est-ce que’ voor de rest van de bevestigende of ontkennende zin te zetten; deze kan dan
eventueel voorafgegaan worden door een vraagwoord.
Est-ce que le patron est là ? Pourquoi est-ce qu’elle n’est pas venue ?
C. Of de bekende “inversion” gebruiken door onderwerp en persoonsvorm om te keren.
Êtes-vous libre vendredi-soir?

Interculture 13. De ontkennende zin
Zoals de bevestigende zin, meestal staat ne voor de persoonsvorm en het tweede deel van de ontkenning er
meteen achter.
A ma surprise elle n’a pas hésité à offrir sa main à cet homme
Franse werkwoorden
Werkwoorden kunnen wat betreft hun vervoeging in twee grote categorieën worden verdeeld:
A. Regelmatige werkwoorden d.w.z. werkwoorden waarvan de vervoeging, d.i. aanpassing qua vorm aan het
onderwerp van de zin, volgens vaste regels verloopt
B. Onregelmatige werkwoorden waarbij dat niet het geval is
1. Regelmatige werkwoorden
Er zijn drie groepen:
A. Werkwoorden waarvan de onbepaalde wijs eindigt op -er
B. Werkwoorden waarvan de onbepaalde wijs eindigt op -ir
C. Werkwoorden waarvan de onbepaalde wijs eindigt op -re
Iedere vervoegde werkwoordsvorm bestaat uit een stam (onbepaalde wijs zonder -er, -ir, -re) gevolgd door een
uitgang die afhankelijk is van het onderwerp (tu, ils, les gendarmes).
De tijden van de werkwoorden
1. De uitgangen van de tegenwoordige tijd (le présent)
-er -ir -re
je -e* -is* -s*
tu -es -is -s
il/elle/on -e -it --
nous -ons* -issons* -ons*
vous -ez* -issez* -ez*
ils/elles -ent -issent -ent
rester – tu restes; choisir – nous choisissons; vendre – il vend
* deze vormen worden gebruikt als gebiedende wijs (impératif):
- de “je-vorm” enkelvoud, onbeleefd: monte !; finis !
- de “nous-vorm” “laten we…”: jouons !; descendons !
- de “vous-vorm” meervoud, beleefd: entrez !; remplissez !
2. de uitgangen van de verleden tijd (l’imparfait)
-er -ir -re
je -ais -issais -ais
tu -ais -issais -ais
il/elle/on -ait -issait -ait
nous -ions -issions -ions
vous -iez -issiez -iez
ils/elles -aient -issaient -aient
donner - ils donnaient; obéir - tu obéissais; répondre - vous répondiez
3. De uitgangen van de passé simple
Een verleden tijd die het Nederlands niet kent en die je vaak in schriftelijk taalgebruik vindt.
-er -ir -re
je -ai -is -is
tu -as -is -is
il/elle/on -a -it -it
nous -âmes -îmes -îmes
vous -âtes -îtes -îtes
ils/elles -ères -irent -irent
Habiter - ils habitèrent; remplir - tu remplis; rendre - il rendit
4. De uitgangen van de toekomende tijd (le futur simple)
De toekomende tijd kan ook gemaakt worden d.m.v. een vorm van het werkwoord aller gevolgd door een
onbepaalde wijs (tu vas voir).
-er -ir -re
je -erai -irai -rai
tu -eras -iras -ras
il/elle/on -era -ira -ra
nous -erons -irons -rons
vous -erez -irez -rez
ils/elles -eront -iront -ront
planter - nous planterons; ravir - elle ravira; perdre - vous perdrez
5. De uitgangen van de verleden toekomende tijd (le futur du passé of le conditionnel)
-er -ir -re
je -erais -irais -rais
tu -erais -irais -rais
il/elle/on -erait -irait -rait
nous -erions -irions -rions
vous -eriez -iriez -riez
ils/elles -eraient -iraient -raient
commander - je commanderais; garantir - vous garantiriez; fondre - il fondrait
6. De voltooid tegenwoordige tijd (le passé composé)
wordt gemaakt door een vorm van de tegenwoordige tijd van de hulpwerkwoorden avoir of être voor het voltooid
deelwoord (le participe passé) te zetten.
-er -ir -re
-é -i -u
garder - gardé; réussir - réussi; défendre - défendu
tu as coupé; ils ont fini; il est descendu
a. Voor de overige voltooide tijden geldt dat de tijden van avoir en être worden aangepast zoals dat in het
Nederlands met “hebben” en “zijn” gebeurt.
Jij was gegaan, tu étais allé
Wij hadden gehoopt, nous avions espéré
Hij zou gekozen hebben, il aurait choisi
NB 1. Wanneer avoir en wanneer être?
Meestal stemt dat overeen met het gebruik van “hebben” en “zijn” in het Nederlands.
Ze hebben verloren, ils ont perdu
Je bent aangekomen, tu es arrivé
Uitzondering: alle wederkerende werkwoorden worden in de voltooide tijden vervoegd met être.
Hij heeft zich vergist, il s’est trompé
NB 2. Als een voltooid deelwoord wordt vervoegd met être, gaat het zich gedragen als een bijvoeglijk naamwoord.
Elle est arrivée; nous nous sommes perdus
Meer informatie om Frans te leren voor werk of vrije tijd vind je bij www.interculture.nl